Een chromosoom  is een drager van een deel van het erfelijk materiaal (DNA) (van een (meercellig) organisme. Het is een met kleurstoffen goed zichtbaar te maken eiwit-structuur in de celkern van eukaryoten. Prokaryoten (bacteriën en archaea) bezitten geen echte chromosomen. Tijdens de celdeling worden de chromosomen goed zichtbaar door samentrekking (condensatie) van het chromatine. Aan het eind van een chromosoom zit een telomeer.  Er zijn autosomen, X-chromosomen en Y-chromosomen.

Chromatine bestaat uit DNA dat rondom chromatine-eiwitten  (histonen) is gedraaid. In de periode tussen twee celdelingen is chromatine een lange streng en als een korrelige structuur zichtbaar in de celkern. Tijdens de celdeling verdubbelt het chromatine zich door , replicatie maar beide helften (de chromatiden) blijven ergens in het midden verbonden op een plaats die centromeer wordt genoemd. Hierdoor ontstaat de bekende X-vorm. Nadat de chromatiden van elkaar zijn gescheiden is de X-vorm verdwenen en heeft het chromosoom weer zijn langwerpige staafjes-vorm.

Een cel bevat over het algemeen meerdere stellen chromosomen. Een cel met één enkel stel chromosomen heet , haploïd, met een dubbel stel  diploïd. Meerdere stellen zijn ook mogelijk: triploïd, tetraploïd, enzovoort. Een dierlijke cel is meestal diploïd, behalve de geslachtscellen  (gameten),  die haploïd zijn.

Ook bij diploïde planten zijn de gameten haploïd, maar bij een tetraploïde plant zijn ze diploïd. Gekweekte planten zijn vaak polyploïd, wat resulteert in grotere bloemen of een grotere oogst.

Het aantal chromosomen is per soort verschillend. Enkele voorbeelden:

soort aantal chromosomen
cavia 64
hond 78
konijn 44
paard 64
muis 40

Chromosomen van een diploïde cel vormen paren, waarbij het ene chromosoom van zo'n paar afkomstig is van de ene ouder (vader) en het andere chromosoom van de ander ouder (moeder). Bij een mannelijk dier zijn de twee geslachtschromosomen niet identiek, maar ze worden samen ook als paar beschouwd.

Bij fouten in de celdeling van geslachtscellen (meiose) kunnen afwijkende aantallen chromosomen in cellen terechtkomen. Daardoor ontstaan nakomelingen die niet levensvatbaar zijn, afwijkingen vertonen en haast altijd onvruchtbaar zijn. Een extra chromosoom in de cel wordt trisomie genoemd, een chromosoom te weinig monosomie.

 

 

U kunt een e-mailbericht met vragen of opmerkingen over deze website verzenden aan webmaster@dierenkliniek-willig.com.
Copyright © 2009 Dierenkliniek Willig
Laatst bijgewerkt: 12 juli 2009