De volledige benaming van een carcinoom is afhankelijk van het weefsel van waaruit het ontstaan is. De tumoren die tot de groep van carcinomen worden gerekend hebben met elkaar gemeen dat ze meestal niet bij jonge dieren voorkomen. Dit heeft te maken met de ontstaanswijze van carcinomen; behalve erfelijke aanleg en "domme pech" spelen omgevingsinvloeden , slecht eten, vervuilde buitenlucht e.a. vaak mee. Deze 'slechte' omgevingsinvloeden hebben tijd nodig om weefsel tot een kwaadaardig weefsel te laten uitgroeien en zijn daarom zeldzaam bij jonge dieren.
Adenocarcinoom is een carcinoom dat ontstaat in klierweefsel. Om als adenocarcinoom gekenmerkt te worden hoeven de cellen niet strikt noodzakelijk deel uit te maken van een klier zolang de cellen maar een excretiefunctie hebben.
* Ooglidtumoren zijn de meeste voorkomende (Adenocarcinoom van het meiboomkliertje 60%) oogtumoren. Het is noodzakelijk dit operatief te verwijderen (de behandeling van eerste keus is excisie) aangezien niet verwijderen kan lijden tot misvormingen van het ooglid, irritatie of zelfs beschadiging van het oog.
Ander vaak voorkomende tumoren zijn histiocytoma, mastocytoma en papilloma
* Uvea (de iris (ook: regenboogvlies): het gekleurde gedeelte van het oog, is de voortzetting van het vaatvlies aan de voorkant en zorgt ervoor dat er niet te veel of te weinig licht in het oog valt. De iris en de chorioïdea samen worden de uvea genoemd) neoplasma zijn kwaadaardige melanomen

Een adenocarcinoom kan voordien als een adenoom aanwezig zijn, een goedaardig gezwel.
adenocarcinomen komen veel voor bij:
- Darmkanker
- Longkanker
- Baarmoederkanker
Mammacarcinoom (kanker van het klierpakket) is een vorm van kanker die uitgaat van het melkklierweefsel (3).
Mammacarcinoom wordt veroorzaakt door afwijkingen in het DNA, mutaties die ervoor zorgen dat een cel (in dit geval een cel in de borst) ongecontroleerd gaat delen en groeien. Typerend van kanker is, dat de kankercellen hierbij ook het omringende, normale weefsel gaan wegduwen, verdrukken en hinderen, en dat de cellen uiteindelijk kunnen uitzaaien naar andere plaatsen in het lichaam, waar ze uitzaaiingen (metastases) gaan vormen.

De ontwikkeling van gewone cel naar kankercel is een proces met verschillende stadia. Risicofactoren beïnvloeden de kans dat een gewone klierpakket cel zich uiteindelijk zal ontwikkelen tot kankercel.
De behandeling van eerste keus is excisie met een marge van 0.5 - 1.5 cm
De gemiddelde leeftijd bij honden waarbij dit type tumor wordt gesteld ligt bij 10 jaar. In het zeldzame gevallen bij honden jonger dan 4 jaar. Vanaf 6 jaar lopen de honden meer risico op het ontwikkelen van dit soort tumor. De ontwikkeling van mammacarcinomen lijkt hormoonafhankelijk te zijn. Het risico ligt op 0.05 % als de hond voor de eerste loopsheid is gesteriliseerd (castratie), op 8% als de hond voor de tweede loopsheid is geholpen, 26% na de tweede loopsheid. Bij het toedienen van anti-loopsheid injecties neemt de kans op het verkrijgen van mammacarcinomen aanmerkelijk toe.
In diverse studies is aangetoond dat bepaalde rassen meer kans lopen op het verkrijgen van mammacarcinomen dan andere rassen.
Uitzaaiing
naar de longen
Plaveiselcelcarcinoom is een zeer kwaadaardige tumor met kans op uitzaaiing, vooral via het lymfestelsel. Het plaveiselcelcarcinoom van de huid ontstaat vaak in een actinische keratose. Zonlichtschade is een belangrijke oorzaak. Plaveiselcelcarcinomen ontstaan ook bij wel chronische wonden. Bij katten komt dit type tumor in 15 % van de gevallen voor bij honden ongeveer 5 %
De behandeling van eerste keus is excisie (4) met een marge van 0.5 cm
Kwaadaardige cellen onderscheiden zich door:
- hun snelle celvermeerdering in vergelijking met goedaardige (benigne) cellen,
- hun infiltratieve groeiwijze: zij dringen de omringende weefels binnen, waarna zij zich via bloed, lymfe of andere wegen door het lichaam verspreiden,
- het feit dat bij sommige vormen van kanker de cellen wel in hun werkzaamheid veranderen, maar niet qua vorm en bouw. Daardoor zijn zij in hun uiterlijke verschijning soms niet direct als kankercel herkenbaar.
2) Necrose is ongecontroleerde celdood. Dit tegenover apoptose, gecontroleerde celdood. Necrose is vaak schadelijk voor het organisme aangezien de celinhoud niet meteen verwijderd wordt, en zo omliggende cellen kan aantasten. Eerst zwelt de cel en daarna barst de cel open (cytolyse). Immuuncellen worden ingeschakeld om de boel op te ruimen, maar ook die kunnen de omgeving aantasten.
3) De melkklier is één van de kenmerken van het zoogdier. Melkklieren worden ook wel mammae genoemd. Het geheel bestaat uit kliercellen die aan klierzakjes zitten. Deze zakjes zitten weer aan buizen (ductuli) die uitmonden bij de tepel. Het aantal buisjes dat uitmondt bij de tepel is verschillend per diersoort. Dit kan er één zijn (zoals bij koeien) maar het kunnen er ook meerdere zijn. Mammae komen meestal voor in paren, zodat de meeste zoogdieren een even aantal mammae hebben, behalve de meesteopossums, die één aparte melkklier hebben
4) Excisie (letterlijk: uitsnijden) is een algemene term waarmee een chirurgische ingreep wordt aangeduid die het afwijkende weefsel in z'n geheel verwijdert. Zo kunnen bijvoorbeeld kwaadaardige gezwellen geexcideerd worden
-
Bostock DE . Canine and feline mammary neoplasms. Br Vet J 1986;142:506-515.
-
Gilbertson SR, Kurzman ID, Zachrau RE, et al. Canine mammary epithelial neoplasms: Biological implications of morphologic characteristics assessed in 232 dogs. Vet Pathol 1983;20:127-142.
-
Alenza P: Inflammatory mammary carcinoma in dogs. J Am Vet Assoc 219:1110-1114, 2001.
-
2. Allen SW, Prasse KW, Mahaffey EA: Cytologic differentiation of benign from malignant canine mammary tumors. Vet Pathol 23:649-655, 1986.
-
3. Brody RS, Goldschmidt MH, Roszel JR: Canine mammary gland neoplasia. J Am Anim Hosp Assoc 19:61-90, 1985.
-
4. Griffiths GL, Lumsden JH, Valli VEO: Fine needle aspiration cytology and histologic correlation in canine tumors. Vet Clin Pathol 13:13-17, 1984.
-
5.Henson KL: Reproductive System. In: Raskin RE, Meyer DJ (eds): Atlas of Canine and Feline Cytology. Philadelphia, WB Saunders Co, 2001, pp. 277-288.
-
6.Moulton JE: Tumors in Domestic Animals, 3rd Edition. Berkley, University of California Press, 1999, pp. 518-54.3
-
7. Rutteman GR, Withrow SJ, MacEwen EG: Tumors of the Mammary Gland. In: Winthrow SJ, MacEwen EG (eds): Small Animal Clinical Oncology, 3rd ed. Philadelphia, WB Saunders Co, 2000, pp. 450-467.
-
8. Shull RM, Madduz JM: Subcutaneous glandular tissue: Mammary, salivary, thyroid and parathyroid. In: Cowell RL, Tyler RD, Munkoth JH (eds): Diagnostic Cytology and Hemotology of the Dog and Cat. St. Louis, Mosby, 1999, pp. 90-92.
-
9. Tvedten H, Cowell R: Cytology of neoplasia and inflammatory masses. In: Williard M, Tvedten H, Turnwald G (eds): Small Animal Clinical Diagnosis by Laboratory Methods. Philadelphia, WB Saunders Co, 1999, p. 328.