| Longen zijn organen waarin gaswisseling
plaatsvindt tussen lucht en bloed ten behoeve van het metabolisme.
Door te ademen kan gaswisseling plaatsvinden;
zuurstof diffundeert dan het bloed in en koolstofdioxide eruit. Er
is zuurstof nodig voor de verbranding van voedsel, waarbij energie
vrijkomt voor een groot aantal processen. Voorts wordt met de
ademhaling koolzuur verwijderd, dat wordt geproduceerd bij de
verbranding van voedingsstoffen. De concentratie van koolzuur in het
bloed wordt geregeld door het ademcentrum in de hersenen.
De ingeademde lucht stroomt via de luchtpijp of
trachea die zich bij de carina splitst in twee bronchiën, die
haar verder voeren in een systeem van steeds meer, maar steeds
fijner vertakte pijpjes, tot ze uiteindelijk terechtkomt in de zeer
kleine longtrechtertjes. De wanden daarvan zijn uitgestulpt tot
longblaasjes, alveolen. Deze worden omgeven door een netwerk
van uiterst fijne bloedvaatjes, veel dunner dan een haar. De
zuurstof in de blaasjes passeert onder invloed van de
concentratiegradiënt een heel dun vlies (membraan) en komt zo in het
bloed. Daar wordt de zuurstof voor het grootste deel aan
hemoglobine gebonden.
Ademhalen is meestal onbewust. In de hersenstam
bevindt zich een speciaal gebied, het ademhalingscentrum. Dit
centrum reguleert op basis van de koolzuurconcentratie in het bloed
de ademhaling en houdt zo het koolzuurgehalte in het bloed vrijwel
constant. Daarmee wordt tegelijkertijd de zuurstofconcentratie in
het bloed op peil gehouden. Als de ademhaling door ziekte
bemoeilijkt is, ontstaat een benauwdheidsgevoel dat men dyspneu
noemd, dit benauwdheidsgevoel is het gevolg van een verhoogde
koolzuurconcentratie en/of een verlaagde zuurstofconcentratie in het
bloed, de longen kunnen de koolzuurconcentratie niet meer op het
juiste peil houden. Er komt dan een extra aantal hulpspieren in
actie. Om de werking van die spieren te vergemakkelijken, ziet men
benauwde dieren dikwijls rechtop staan.
De longen zijn goed beschermd. In de luchtwegen
(neus en keelholte, strottenhoofd en luchtpijp) wordt de ingeademde
lucht gezuiverd van grotere stofdeeltjes, voorverwarmd en vochtig
gemaakt. Koude winterlucht is al op temperatuur (30 graden Celsius)
voor zij de longen bereikt. Voor het schoonhouden van de luchtwegen
dient een uitgebreid slijmtransportsysteem van (trilharen) op het
slijmvlies van de luchtpijp en de bronchiën. Deze transporteren
neergeslagen deeltjes weer naar het strottenhoofd, waar slijm met
stofdeeltjes onder normale omstandigheden ongemerkt worden
ingeslikt. Als daarbij moet worden gehoest is er sprake van een
abnormale situatie, mogelijk een symptoom van ziekte, meestal een
meer of minder ernstige luchtweginfectie.
|