
De kanarie leeft voornamelijk van kleine zaden, bladknoppen en groene scheuten terwijl tijdens de opfok van de jongen ook graag kleine insecten worden genuttigd. Hij heeft een kleine stevige snavel waarmee hij zaden kan pellen. Het eten van bijvoorbeeld grit helpt bij de vertering hiervan. Ook heeft hij mineralen nodig voor zijn kalkhuishouding.
De in het wild levende soort is wat grauwer dan de meeste gekweekte soorten. Kwekers kweken onder andere op kleur, vorm en op zangkwaliteit. Hierdoor kan men kanaries in vele kleuren aantreffen: rode, gele, witte, bonte, enz. Verder zijn er gekuifde kanaries en kanaries met een afwijkende bouw. Bij de kanaries spreekt men van vier hoofdgroepen die elk weer onderverdeeld zijn in aparte rassen:
- kleurkanarie
- zangkanarie
- vormkanarie
- bastaarden
Deze soorten worden gefokt om hun kwaliteiten te behouden of juist te kruisen.

In de volksmond wordt de kanarie wel kanariepiet of kanarievogel genoemd. Veel kanaries in het Nederlandse taalgebied krijgen dan ook de naam Piet of een naam die hiervan is afgeleid.
Het kanarievrouwtje wordt vaak een popje genoemd. Vooral in het voorjaar is het zeer ijverig in de weer met nestmateriaal verzamelen en het bouwen van een nestje. Het zal doorgaans zo'n drie tot vijf eitjes leggen Op de afbeelding heeft een popje bij gebrek aan beter een nestje in een voederbakje gemaakt, waar het op broedt.
De kanarie wordt al eeuwen als huisdier gehouden. Vaak voelt het beestje zich juist in een kooi en op een hoge plek het veiligst. Deze kooi is bij voorkeur niet rond maar rechthoekig.
Tijdens de rui is het goed om de vogel extra krachtvoer/eivoer te geven.
Een huis-kanarie wordt gemiddeld 12 jaar oud.