De hersenen , ook het brein of het encephalon (Grieks voor "in het hoofd"), zijn het waarnemende, aansturende, controlerende en informatieverwerkende orgaan in dieren. Er zijn drie groepen dieren met hersenen: de gewervelden, de geleedpotigen (insecten, spinnen, kreeften) binnen de groep van de ongewervelden en de inktvissen. De overige ongewervelden hebben geen hersenen maar collecties van individuele ganglia. De hersenen bevinden zich over het algemeen in de kop van het dier.

De hersenen zijn een complex orgaan; het menselijk brein is opgebouwd uit vele tientallen miljarden neuronen (zenuwcellen) waarvan elk in verbinding staat met een groot aantal andere neuronen, soms vele duizenden. De hersenen besturen en coördineren sensorische systemen, beweging, gedrag en homeostatische lichaamsfuncties zoals ademhaling, bloeddruk en lichaamstemperatuur. De hersenen zijn de bron van beweging, geheugen en (bij hogere soorten) cognitie (bewustzijn) en emotie.

 

In de meeste hersenen is een verschil zichtbaar tussen grijze stof (1) en witte stof. Grijze stof bestaat uit de cellichamen van de neuronen, witte stof bestaat uit de vezels (axonen) die de neuronen over lange afstand verbinden. De buitenste lagen van de telencephalon noemt men de cortex cerebri of hersenschors. Deze bestaat voornamelijk uit grijze stof. Behalve in lagen komen cellichamen ook voor in kernen. Ze zijn over het gehele centrale zenuwstelsel verspreid. De axonen in de witte stof zijn omgeven door een vettige, beschermende en isolerende laag: myeline. Myeline is verantwoordelijk voor de kleur van de witte stof (2). Dwarsdoorsneden van de hersenen geven inzicht in de structuur van de grijze en witte stof binnen een plat vlak.

Bij lagere gewervelden (vissen, reptielen, amfibieën) bestaat de cortex cerebri uit minder dan zes lagen. Deze structuur wordt ook wel allocortex genoemd. Bij zoogdieren bestaat een deel van de cortex cerebri uit zes lagen. Dit deel wordt de neocortex genoemd en ligt bovenop de oudere allocortex. Bij hogere zoogdieren zoals primaten vormt de neocortex een groter deel van de hersenen dan bij lagere zoogdieren.

De hersenen zijn in te delen in verschillende gebieden:
  • Rhombencephalon (achterhersenen)
    • Myelencephalon
    • Metencephalon
  • Mesencephalon (middenhersenen)
  • Prosencephalon (voorhersenen)
    • Diencephalon
    • Telencephalon

Een eenvoudiger en gangbaardere indeling is:

  • Cerebrum (grote hersenen)
  • Cerebellum (kleine hersenen)
  • Hersenstam

 

Ondanks de variatie in diersoorten die hersenen hebben zijn er op cellulair, structureel en functioneel niveau veel overeenkomsten. Op cellulair niveau: de hersenen bestaan uit twee soorten cellen: neuronen en gliacellen. Beide soorten cellen komen voor als verschillende celtypen met verschillende functies. Onderling verbonden neuronen vormen neuronale netwerken. Deze netwerken bestaan uit schakelende elementen (neuronen) die met elkaar verbonden zijn door biologische bedrading (zenuwvezels). Normaliter zijn neuronen verbonden met minimaal 1000 andere neuronen. Deze uiterst gespecialiseerde netwerken vormen systemen die de basis vormen van perceptie, actie en hogere cognitieve functies.

De cellen die actiepotentialen genereren en informatie doorsturen naar andere cellen zijn de neuronen. In elk hersengebied bevinden zich neuronen die input ontvangen (afferente neuronen), die een output produceren (efferente neuronen) en interneuronen. Afferente neuronen ontvangen projecties van andere hersengebieden. Efferente neuronen projecteren naar andere gebieden. Interneuronen hebben geen connecties buiten het hersengebied waarin ze liggen, maar zorgen voor locale verwerking.

Naast neuronen bevatten de hersenen gliacellen, ongeveer 10 tot 50 per neuron. Gliacellen (van het Griekse glia wat staat voor lijm) hebben een ondersteunende rol in de hersenen, waaronder het produceren van het isolerende myeline, het verschaffen van structuur aan het neuronale netwerk en het verwerken van afval. De meeste soorten gliacellen die zich in het centrale zenuwstelsel bevinden bevinden zich in het perifeer zenuwstelsel. Een uitzondering zijn de oligodendrocyten die in het centrale zenuwstelsel axonen isoleren. In het perifeer zenuwstelsel zijn hiervoor de Schwanncellen verantwoordelijk.

Bij zoogdieren worden de hersenen omgeven door bindweefselvliezen, de hersenvliezen. Dit is een systeem van membranen dat de hersenen scheidt van de schedel. De vliezen zijn van buiten naar binnen opgebouwd uit het harde hersenvlies, het spinnenwebvlies en het zachte hersenvlies. Het spinnenwebvlies is verbonden met het harde hersenvlies en deze tezamen worden soms als één laag gezien. Onder het spinnenwebvlies bevindt zich een ruimte waarin zich het hersenvocht (ook cerebrospinalis, cerbrospinale vloeistof of liquor) bevindt. Hierin "drijven" de hersenen. Het hersenvocht circuleert tussen de lagen van de hersenvliezen en door holtes in de hersenen die we ventrikels noemen. Chemisch is het belangrijk voor het metabolisme en mechanisch is het belangrijk als schokdemper. Bloedvaten komen het zenuwstelsel binnen via de ruimte boven het zachte hersenvlies. De bloed-hersenbarrière, een functionele scheiding tussen bloedvaten en hersenweefsel, beschermt de hersenen deels tegen toxines die mogelijk met het bloed mee binnenkomen.

Hersenen van gewervelden ontvangen signalen van de 'sensors' (receptoren) van het organisme via de zenuwen. Deze signalen worden door het centrale zenuwstelsel geïnterpreteerd waarna reacties worden geformuleerd, gebaseerd op reflexen en aangeleerde kennis. Eenzelfde soort systeem bezorgt aansturende boodschappen vanuit de hersenen bij de spieren in het hele lichaam.

Sensorische input wordt verwerkt door de hersenen voor de herkenning van gevaar, het vinden van voedsel, het identificeren van mogelijke partners en verscheidene andere functies. Gezichts-, gevoels- en gehoorsinformatie gaat eerst naar specifieke kernen van de thalamus en vervolgens naar gebieden van de cortex cerebri die bij dat specifieke sensorische systeem horen. Reukinformatie (fylogenetisch het oudste systeem) gaat eerst naar de bulbus olfactorius (3) en vervolgens naar andere delen van het olfactorisch systeem. Smaak wordt via de hersenstam geleid naar andere delen van het betreffende systeem.

Om bewegingen te coördineren hebben de hersenen een aantal parallelle systemen die spieren besturen. Het motorisch systeem bestuurt de bewegingen van spieren, geholpen door de motorische schors, de kleine hersenen (het cerebellum) en de basale ganglia. Uiteindelijk projecteert het systeem via het ruggenmerg naar de zogenaamde spiereffectors. Kernen in de hersenstam besturen veel onwillekeurige spierfuncties zoals de ademhaling. Daarnaast kunnen veel automatische handelingen zoals reflexen gestuurd worden door het ruggenmerg.

De hersenen produceren ook een deel van de hormonen die organen en klieren beïnvloeden. Aan de andere kant reageren de hersenen ook op hormonen die elders in het lichaam geproduceerd zijn. Bij zoogdieren worden de hormonen afgegeven aan de bloedsomloop. De besturing van veel hormonen verloopt via de hypofyse (4).

 

 

 

 

1) De grijze stof (Latijn: substantia grisea) is het deel van het centraal zenuwstelsel dat de cellichamen van de zenuwcellen, de dendrieten en de korte axonen bevat. De witte stof is het deel wat de lange, gemyeleniseerde axonen bevat. De grijze stof bevindt zich in de hersenen vooral (maar niet uitsluitend) aan de buitenkant, waar het de cortex cerebri, de schors van de grote hersenen, en de cortex cerebelli, de schors van de kleine hersenen, vormt. De grijze stof heeft als functie het verwerken van informatie, terwijl de witte stof de communicatie tussen de zenuwcellen verzorgt.

 

2) De witte stof (Latijn: substantia alba) is het deel van het centraal zenuwstelsel dat de axonen, de gemyeliniseerde uitlopers van zenuwcellen bevat. Deze axonen verbinden de verschillende hersengebieden met grijze stof met elkaar en geleiden de zenuwimpulsen tussen neuronen. De witte stof in de hersenen en in het ruggenmerg bevat geen dendrieten. Deze zijn alleen in grijze stof aanwezig, samen met zenuwcellichamen en kortere axonen. De witte kleur is het gevolg van de myelinescheden van de zenuwvezels. In het ruggenmerg ligt de witte stof aan de buitenkant van de grijze stof. Hier wordt zij onderverdeeld in een voorstreng, de funiculus ventralis of anterior, een zijstreng, de funiculus lateralis, en een achterstreng, de funiculus dorsalis of posterior. In de hersenen wordt de witte stof door grijze stof omgeven. Hier bevinden zich twee soorten witte stof. De eerste soort witte stof zijn de verbindingen tussen hersenschorsgebieden die naast elkaar liggen en wordt subcorticale witte stof genoemd. De andere soort witte stof in de hersenen verbindt delen van de hersenen die verder van elkaar liggen en heet periventriculaire witte stof. Dit komt omdat deze banen onder andere rondom de hersenventrikels liggen. Wel bevinden zich binnen de witte stof kleine gebieden met grijze stof, de nuclei. De witte stof kan gezien worden als de delen van het zenuwstelsel die verantwoordelijk zijn voor informatieoverdracht, terwijl de grijze stof met name te maken heeft met informatieverwerking. Veranderingen in witte stof worden in verband gebracht met de ziekte van Alzheimer en andere neurodegeneratieve aandoeningen. Ook als gevolg van ouderdom treden veranderingen in de witte stof op.

 

3) De bulbus olfactorius of reukkolf is een structuur die voorkomt in de hersenen van gewervelden en betrokken is bij reuk; de perceptie van geuren.

 

4) De hypofyse, oftewel hersenaanhangsel, is een klier midden in het hoofd, onder de hersenen, die vele hormonen afscheidt. De hypofyse vervult een belangrijke rol bij de regulering van een groot aantal hormonen. De klier is ongeveer zo groot als een doperwt (doorsnede circa één centimeter) en is gelegen in een holte in de schedelbasis (het zogeheten Turkse zadel of Sella Turcica in het Latijn), achter de neusrug. De achterkwab van de hypofyse behoort tot het diencephalon. Bij de aanleg in de embryonale fase wordt de voorkwab van de hypofyse gevormd uit een stukje epitheel van het monddak; het zogenaamde zakje van Rathke. De hypofyse is opgebouwd uit drie delen, de voorkwab, achterkwab en de middenkwab. De middenkwab is bij mensen bijna niet aanwezig. Bij sommige diersoorten is deze echter relatief groter. De middenkwab maakt α-MSH (Melanocyten Stimulerend Hormoon) uit de neurotransmitter corticotropine. In dit artikel wordt vooral aandacht besteed aan de voor- en achterkwab. In verband met het regulatiesysteem dat gebruikt wordt voor hormonen, negatieve terugkoppeling, is de hypofyse via een poortadersysteem verbonden met de hypothalamus. Deze meet de hoeveelheden hormonen in het bloed en stuurt (hormonale) signalen naar de hypofyse wanneer er meer of minder van een hormoon nodig is. Via de hypofysesteel komt onder andere dopamine in de hypofyse terecht dat de de afgifte van prolactine remt.

 

U kunt een e-mailbericht met vragen of opmerkingen over deze website verzenden aan webmaster@dierenkliniek-willig.com.
Copyright © 2007 Dierenkliniek Willig
Laatst bijgewerkt: 10 september 2007