De fret (Mustela putorius furo) behoort tot de marterachtigen, net als de hermelijn, wezel en otter. Zoals alle marterachtigen zijn fretten roofdieren. Over het algemeen wordt de fret gehouden als gezelschapsdier, maar er zijn ook fretten die worden gebruikt voor de jacht. Deze vorm van jagen wordt fretteren genoemd.
  • Vrouwtje: Moer
  • Mannetje: Ram
  • Jong: Pup

De paartijd van fretten is tussen maart en augustus. Een moer is vruchtbaar bij de eerste loopsheid bij ongeveer 9 maanden. Ze werpt na bevruchting na 42 dagen gemiddeld 8 pups. Ze worden kaal en blind geboren. Na een week begint hun vacht te groeien en na 4 weken zoeken ze de toiletbak op en eten ze al vast voedsel. Ook gaan nu hun oogjes open. Met 8-9 weken wisselen ze de melktandjes. Vanaf 8 weken kunnen ze bij de moeder weg.

Het is zinvol het moertje in het laatste derde van de dracht met extra voeder te voorzien, om de groei van de pups en de opbouw van reserves voor latere melkgifte niet te belemmeren.

Voor het spenen van de pups kan men ze bijvoederen. Dit is extra belangrijk voor grote worpen, omdat in dit geval de hoeveelheid melk van de moeder niet voldoende is.

Qua vacht kunnen fretten 3 hoofdkleuren vertonen: wildkleur (zoals de bunzing), albino (wit met rode ogen), sandy (lichtbruine poten en staart). Alledrie deze kleuren komen voor in verschillende schakeringen: van chocoladebruin tot bijna zwart, van sneeuwwit tot créme, van heel licht zandkleurig tot donkerbeige.

Daarnaast bestaan er verschillende aftekeningen: witte voetjes, een witte "bles", een volledig wit hoofd zonder masker, witte vlekken elders op het lichaam, ... Sommige van deze aftekeningen hebben een speciale naam gekregen zoals witvoet/mitt, blaze, panda, polka dot, ... Belangrijk om weten is echter dat deze witte aftekeningen het gevolg zijn van een mutatie in een bepaalde groep cellen (de cellen van de neurale kammen), dewelke, behalve voor de pigmentatie, ook instaan voor belangrijke functies. Vroeg of laat komen er dan ook maar al te vaak heel wat gezondheidsproblemen aan het licht bij deze dieren: doofheid, hartproblemen, maagdarmproblemen, misvormingen van de schedel/onderkaak, ... Bovendien zijn deze dieren ook veel gevoeliger voor allerhande tumoren. Aanvankelijk werd gedacht dat het hierbij om het Waardenburg-syndroom ging, tegenwoordig is men er nagenoeg zeker van dat het om een mutatie in het c-kit-gen gaat. Ook dieren zonder opvallende aftekeningen, maar met dieren mét deze aftekingen onder hun voorouders, dragen deze mutatie met zich mee en kunnen de bijhorende gezondheidsproblemen vertonen

Fretten zijn geen knaagdieren maar echte carnivoren. Dat houdt in dat het strikt vleeseters zijn. "Tractaties" zoals rozijnen bevatten veel suiker en dat is (op den duur) zeer schadelijk voor fretten.

Hondenvoer is niet geschikt voor fretten. Dit bevat te veel plantaardige eiwitten en vezels. Kattenvoer is een optie, mits er hoge kwaliteit kittenvoer wordt gebruikt met een zo hoog mogelijk percentage dierlijke eiwitten. Sommige speciale frettenbrokken van hoge kwaliteit zijn nog beter. Goedkope brokjes kunnen nooit voldoende kwaliteits-eiwitten bevatten. Het allerbeste echter is om zoveel mogelijk het natuurlijke dieet van de voorouder van de fret (de bunzing) na te bootsen: kleine prooidieren (muizen, ratten, kwartels, ... ) dus, of deze zelf "nabootsen" met rauwe vleesbotjes zoals bvb. kippennekjes of -vleugeltjes met wat extra spiervlees en orgaanvlees erbij.

Vanwege de snelle stofwisseling (eten wordt binnen 4 uur verteerd) moet een fret die brokken krijgt 24 uur per dag de beschikking hebben over eten en vers water. Melk kan een fret niet verdragen.

Fretten moeten in hun kooi of hok voldoende ruimte krijgen om te bewegen en spelen. Dit kan een buiten- of binnenhok zijn waarbij kou minder een probleem is dan warmte. Fretten kunnen slecht tegen temperaturen boven de 28°C. Het hok direct in de volle zon is dus af te raden. Vorst, vocht en tocht moet worden voorkomen. Twee fretten moeten ongeveer 1,5m2 tot hun beschikking krijgen, maar meer is aan te raden. (bijvoorbeeld door meerdere verdiepingen in de kooi aan te brengen). Het vloeroppervlakte moet met ongeveer 0,5m2 per extra fret worden vergroot.

Fretten hebben een zeer gevoelige neus en kunnen slecht tegen stof. Vandaar is het niet aan te raden om stro of een andere bodembedekker te gebruiken. Gelakt hout (zonder splinters!), linoleum/zijl of plastic zijn ideale bodembedekkers, eventueel aangevuld met lapjes, t-shirts of truien. Badstof, handdoekjes of iets dergelijks is minder geschikt omdat de nageltjes hierin kunnen blijven haken.

In elke kooi/hok dient een frettentoilet aanwezig te zijn. Deze zijn in verschillende maten en kleuren te koop. Kattenbakken zijn ook geschikt, maar de instap mag niet te hoog zijn. (name lastig voor jonge, oudere of zieke fretten.) De frettenbak moet gevuld zijn met kattengrit. Dit moet een niet-stuifende en niet-klonterende variant zijn, aangezien fretten er soms wel in willen graven. Klontjes grit kan dan in of aan hun neus blijven plakken. De bak moet dagelijks worden schoongemaakt.

 

U kunt een e-mailbericht met vragen of opmerkingen over deze website verzenden aan webmaster@dierenkliniek-willig.com.
Copyright © 2007 Dierenkliniek Willig
Laatst bijgewerkt: 10 september 2007