|
ED (elleboog dyplasie)
geschreven door Arthur
Elleboog dysplasie (ED) is
een ziekte die voornamelijk voorkomt bij grote en zeer grote
hondenrassen. De ziekte is erfelijk. De ziekte komt vooral
voor bij Berner Sennenhonden, Bordeaux dog, Duitse Herder,
Golden Retriever, Labrador Retriever, in mindere mate bij
Newfoundlanders, Sint Bernard, Springer Spaniel,
Australische Cattledog, Chow Chow, Shar Pei en enkele
terrier rassen. In de meeste gevallen zijn beide ellebogen
aangetast in een enkel geval alleen 1 elleboog.
Men spreekt van ED , wanneer een of meer
van de volgende aandoeningen in een ellebooggewricht
aanwezig is of zijn:
1. OCD (Osteochondritis dissecans, loslaten van een stukje
kraakbeen van de schouder)
2. LPC (Los processus coronoïdeus, loslaten van een stukje
bot van de ellepijp)
3. LPA (Los proc.anconeus, loslaten van een stuk bot op een
andere plaats van de ellepijp)
4. Incongruentie (een niet goed "passend" gewricht door een
te lange of te korte ellepijp te opzichte van het
spaakbeen).
Ieder van de genoemde afwijkingen leidt na enkele maanden
tot "artrose". Onder artrose wordt verstaan "veranderingen
van een gewricht (botreactie's) die in de loop van het
ziekteproces kunnen ontstaan, die blijvend zijn en vooral
gekenmerkt worden door startpijn (kreupelheid net na het
opstaan), "er doorheen lopen" (dus beter lopen na enige
tijd) en een terugval na veel inspanning
De meest voorkomende vorm (LPC) is een los stukje
kraakbeen of bot in het gewricht dat arthrose veroorzaakt.
De plaats van dit proces is aangegeven dmv een pijl op de
afbeelding
Het ontstaan van ED
Er zijn verschillende oorzaken aanwijsbaar
voor het ontstaan van ED:
Los processus coronoïdeus (LPC) of 'los
kroonuitsteeksel' is de meest voorkomende verschijningsvorm
van ED. Het bevindt zich aan de binnenkant (mediaal) van
elleboogsgewricht. Is veel gevallen kan men ook een
afwijking zien in het gewrichtskraakbeen tegenover het
afwijkende kroonuitsteeksel .
Dit wordt ook wel 'kissing lesion'
genoemd. Men is namelijk van mening dat een 'kissing lesion'
(mede) veroorzaakt wordt door aanrakingen met het
kroonuitsteeksel. Verder is men van mening dat er sprake is
van een slechte doorbloeding van het kraakbeen, waardoor
snel trauma optreedt (OCD), kraakbeen verval en of loslating
van stukjes kraakbeen.
Los processus coronoïdeus (LPC) (en
kissing lesion) is verreweg de meest voorkomende oorzaak van
ED (elleboogdysplasie). Elleboogdysplasie is artrose in het
ellebooggewricht. De oorzaak van LPC is een ongelijke groei
tussen spaakbeen en ellepijp tijdens de groeifase. Spaakbeen
en ellepijp vormen beide
de (holle) bodem respectievelijk de (holle) achterkant van
het ellebooggewricht. In dze holte past
normaliter zeer nauwkeurig het (bolle) uiteinde
van de bovenpoot. Als het spaakbeen trager groeit dan de
ellepijp ontstaat er een `randje' en dat is nou net dat
kroonuitsteeksel. In zo'n geval spreken we van een
incongruent gewricht.
In beginsel kan men stellen dat LPC ontstaat
bij patiënten in het ellebooggewricht tijdens de groei dus
eerst een incongruentie in het ellebooggewricht, omdat de
'puzzel'' spaakbeen - ellepijp - bovenarm, zoals ze in het
ellebooggewricht bij elkaar komen niet netjes op elkaar
aansluiten.
In plaats van dat de `condylen' (ronde
uiteinden van de bovenpoot) gladjes draaien in de kom, die
gevormd wordt door de uiteinden van spaakbeen en ellepijp,
vinden er kleine botsingen plaats, die het ontstane randje
(bij LPC het kroon uitsteeksel) doen afbreken. Precies waar
het bovenarm deel van het ellebooggewricht botst tegen het
kroon uitsteeksel gaat het gewrichtskraakbeen stuk (kissing
lesion).
Reeds bij incongruentie in het
ellebooggewricht kan men problemen verwachten. Vaak ziet men
dan een wisselende kreupelheid aan één of beide voorpoten,
die met name bij overbelasting verergert. Dat kan al
ontstaan op de leeftijd van 4-6 maanden. Er hoeft dan nog
geen sprake te zijn van LPC. Zo'n gewricht veroorzaakt
natuurlijk ook blessures van gewrichtsbanden en
gewrichtskapsel. Op de röntgenfoto's ziet men vaak geen
afwijkingen of bijzonderheden, óf tekenen van incongruentie.
Een gewricht kan dus toch incongruent zijn, zonder dat men
dat kan vaststellen op een röntgenfoto. Een LPC is in de
beginfase niet op een gewone röntgenfoto vast te stellen !!
Als het processus coronoïdeus afbreekt en er
ook nog een kissing lesion ontstaat wordt de kreupelheid
meestal veel erger. De klachten ontstaan dikwijls op de
leeftijd van 5 - 9 maanden, soms op oudere leeftijd,
bijvoorbeeld 9 - 18 maanden en in een enkel geval pas op 4 -
6 jaar, maar dat zijn echt uitzonderingen.
Naarmate de artrose erger wordt, de
botwoekeringen toenemen, is de diagnose op een röntgenfoto
steeds eenvoudiger. LPC herkennen we dus op een röntgenfoto
niet als zodanig, maar aan de gevolgen, de botwoekeringen
ter plaatse. Botwoekeringen ontstaan pas in een later
stadium, waardoor we de diagnose vaak pas in een later
stadium kunnen stellen. Het is dan ook aan te raden bij
twijfel het röntgenonderzoek na 6 - 8 weken te herhalen.
Geleidelijk ziet men het ellebooggewricht
dikker worden , mede veroorzaakt door de botwoekeringen.
Soms is het gewricht sterk overvuld; er bevindt zich dan een
overmaat aan gewrichtsvloeistof in het gewricht. Die
overvulling is een teken van chronische irritatie
Het ellebooggewricht is pijnlijk bij
strekken en buigen. Vandaar dat een hond met LPC ook met
zijn poten gaat maaien, buitenom zwaaien. De patiënt
scharniert zijn voorpoten hoofdzakelijk vanuit het
schoudergewricht en houdt zijn ellebooggewrichten
angstvallig stijf, het liefst tegen de borstkas. In rust
ziet men dan ook een typische stand.
Het kan voorkomen dat een hond geen
kreupelheid vertoond , terwijl de röntgenfoto een behoorlijk
slecht beeld laat zien. Andersom is het ook mogelijk, dat
een hond behoorlijk kreupel loopt, terwijl er weinig of geen
afwijkingen op de röntgenfoto is te zien.
Hoe word ED vastgesteld:
Een klinisch onderzoek door de dierenarts
is de eerste stap in de diagnose. Als er verdenking is van
ED, maakt de dierenarts röntgenopnames. Alhoewel enkele
vormen van ED zeer duidelijk herkenbaar zijn op
röntgenfoto's, maar ziet men kleine subtiele veranderingen.
De röntgenfoto (zie hieronder) is kenmerkend voor een jonge
hond met een los zittend stukje bot. het fragment is
röntgenlogisch niet zichtbaar maar wel lichte vorming van
arthrose.
Uit diagnostisch oogpunt is arthroscopie
het allerbeste hulpmiddel voor het vastsstellen van ED. Het
biedt tevens de gelegenheid om chirurgisch in te grijpen.
Maar het is nogal ingrijpend als eerste diagnostiek, omdat
het gewricht gepenetreerd wordt en dan ook nog onder
narcose. Röntgenopnames mits nauwkeurig in diverse
richtingen en standen (!!) genomen hebben daarom toch de
voorkeur als eerste diagnostische stap.
Behandeling van ED
De behandeling van een afwijkend
ellebooggewricht hangt ondermeer af van de aard en de ernst
van de afwijking, de ernst van de klachten, de leeftijd van
de hond en eventueel aanwezige arthrose.
Vaak is een chirurgische behandeling geïndiceerd.
Daarbij geldt dat, als er geen factoren tegen pleiten,
losgeraakte bot- en kraakbeenfragmenten (bij OCD, LPA en LPC)
uit het gewricht worden verwijderd terwijl de incongruentie
zo mogelijk wordt gecorrigeerd. Artrose zelf is niet
chirurgisch te behandelen, wel de oorzaak van artrose.
Er is niet aangetoond dat er middelen zijn waarmee artrose
kan worden verholpen. Wel kunnen door het opleggen van
gedragsregels en door het gebruik van pijnstillers de
klachten worden verminderd.

Bronnen:
1. Wind, A.P., Elbow Dysplasia,
Textbook of Small Animal Surgery, pgs. 1964-1975.
2. The Veterinary Clinics of North
America, Small Animal Practice; Congenital Conditions that
Lead to Osteoarthritis in the Dog, Steven A. Martinez, DVM,
MS, W.B. Saunders, 1997, pg 740-748.
3. Genetics of the Dog, Malcolm B
Willis, Howell Book House, 1989.
4. Atlas of Canine Anatomy, Wesley D
Anderson DVM, PhD, and Bettina G Anderson PhD, Lea & Febiger,
1994.
5. Small Animal Orthopedics, Marvin L
Olmstead, Mosby Year Book, 1995.
6. Saunders Manual of Small Animal
Practice, Stephen J. Birchard, DVM, Robert G. Sherding, DVM,
W. B. Saunders, 1st edition, 1994.
7. Veterinary Medical Terminology, Dawn
E. Christenson, W. B. Saunders, 1997.
8. The Merck Veterinary Manual, Merck &
Co., 7th edition, 1991. |