|

Het ras van de Dobermanns voert als enige de naam
van haar eerst bekende fokker Friedrich Louis Dobermann. Volgens de
overlevering was hij belastinginner, vilder en daarnaast de stads
hondenvanger met het wettelijk recht alle loslopende honden te
vangen. Voor de fok paarde hij uit dit reservoir bijzonder scherpe
honden. De belangrijkste rol bij de opbouw van het ras speelden
zeker de zogenaamde Slagershonden, die onder de toen geldende
omstandigheden al als een relatief doorgefokt "ras" konden worden
aangemerkt. Deze honden waren een soort van voorloper van de huidige
Rottweiler vermengd met een soort van herdershond, die in Thuringen
in het zwart met roestrode aftekeningen voorkwam. Met de hier
opgesomde mengeling van honden heeft Dobermann in de zeventiger
jaren van de 19e eeuw gefokt.
Hij kreeg daardoor zijn ras, dat wil zeggen gebruikshonden, die niet
alleen waaks waren, maar ook manvaste hof- en huishonden. Ze werden
veel als waak- en politiehonden ingezet. Het veelvuldige gebruik in
dienst van de politie leidde toen tot de bijnaam "Gendarme-hond".
Bij de jacht werden ze overwegend voor de bestrijding van roofwild
ingezet. Onder de hier geschetste voorwaarden was het bijna
onvermijdelijk, dat de Dobermann al aan het begin van deze eeuw
officieel erkend werd als politiehond.
Toepassing/ gebruik: waak- en verdedigingshond, werkhond.
Beweging/ activiteit :De Dobermann heeft veel beweging nodig om hem
in goede conditie te houden.
Uiterlijke kenmerken:
Algemeen: Iets meer dan middelgrote hond. Het is een gespierde, goed
gebouwde en sierlijke hond. Hij ziet er vurig uit en is door zijn
bouw tot hoge snelheden in staat. Het lichaam is kort, met
middelmatig brede en diepe borst. Ribben licht gewelfd. Buik licht
opgetrokken. Tamelijk lange benen met sterk bot. lange en droge
hals.
Kleur: Toegestaan zijn zwart, bruin of blauw met tan-aftekeningen
die scherp zijn omlijnd. De aftekeningen bevinden zich boven de
ogen, op de snuit, hals en voorborst, op alle benen en voeten. Witte
aftekeningen zijn ongewenst.
Hoofd en schedel: Tamelijk smalle en vlakke schedel, afmetingen in
verhouding tot het lichaam. Het hoofd lijkt - van opzij gezien - op
een stompe kegel. Het bovenste deel van de schedel is zo vlak
mogelijk zonder rimpels en met een geringe stop. Neus is zwart bij
zwarte honden, donkerbruin bij de andere toegestane kleuren. De ogen
zijn rond en middelmatig groot en donkerbruin van kleur met
verstandige uitdrukking. Oren hangend.
Staart: Lijkt op de voortzetting van de ruggengraat.
Voeten: Goed gebogen voorvoet, gesloten en katachtig kort.
Beharing: Kort, dicht en hard.
Schofthoogte: Reu: ongeveer 68 cm, Teef: 65 cm.
Karakter:
- Trouw
- Onbevreesd
- Moedig
- Waaks
- Scherp
- Schrander
- Alert
- Gereserveerd tegenover vreemden

|