|
Minrin neusdruppels
Samenstelling:
Minrin, neusdruppels: een flacon à 2,5 ml bevat
0,1 mg desmopressineacetaat-hydraat per ml, overeenkomend met 0,089
mg/ml desmopressine.
Minrin 25 µg/ml, neusspray en Minrin 0,1 mg/ml,
neusspray: een flacon à 5 ml bevat 25, respectievelijk 100 µg
desmopressineacetaat-hydraat per ml, overeenkomend met 22,3
respectievelijk 89 µg/ml desmopressine, voldoende voor 50 afgemeten
doses à 2,5, respectievelijk 10 µg desmopressineacetaat-hydraat.
Minrin injectievloeistof: een single dose ampul à
1 ml injectievloeistof zonder conserveermiddel bevat 4 µg
desmopressineacetaat-hydraat per ml, overeenkomend met 3,6 µg/ml
desmopressine.
Minrin 0,1 mg, tabletten: per tablet 0,1 mg
desmopressineacetaat-hydraat, overeenkomend met 0,089 mg
desmopressine.
Minrin 0,2 mg, tabletten: per tablet 0,2 mg
desmopressineacetaat-hydraat, overeenkomend met 0,178 mg
desmopressine.
Minrin 0,4 mg, tabletten: per tablet 0,4 mg
desmopressineacetaat-hydraat, overeenkomend met 0,356 mg
desmopressine
Farmaceutische vorm:
Neusdruppels; neusspray; injectievloeistof;
tabletten.
Dosering/ toedieningswijze:
De breukgleuf in Minrin tabletten maakt het
mogelijk de tabletten te breken alvorens in te nemen teneinde het
slikken te vergemakkelijken. Na het breken moeten beide delen
ingenomen worden.
a. Diabetes insipidus behandeling
a.1 Intranasaal, door middel van neusdruppels:
dient individueel te worden aangepast met controle
van het volume van de 24-uren urineproduktie en de
urine-osmolaliteit. Voor volwassenen wordt een testdosis van 10 µg =
0,1 ml intranasaal voorgesteld, die, afhankelijk van het resultaat,
tot 20 µg kan worden verhoogd.
In het algemeen verkrijgt men met 10 tot 20 µg
tweemaal daags een normalisering van de dagelijkse urineproduktie.
Voor kinderen bedraagt de testdosis 5 µg = 0,05 ml en voor
zuigelingen 2,5 µg = 0,025 ml.
Een behandeling vergt over het algemeen 2
intranasale doses per dag. Indien zeer geringe volumes vereist zijn,
kan men met behulp van een micropipet het gewenste volume in de
rhinyle appliceren.
a.2 Intranasaal door middel van de neusspray:
Zie dosering genoemd bij de neusdruppels. Wanneer
een correct ingestelde patiënt wordt omgezet van behandeling met
neusdruppels naar behandeling met de neusspray, dient de dosering
opnieuw ingesteld te worden. De testdosis is dan weer 10 microgram.
Een en ander dient te geschieden onder controle
van de 24-uren urineproduktie en osmolaliteit.
a.3 Injectie:
Minrin injectievloeistof is bestemd voor die
gevallen waarbij nasale toediening niet mogelijk is. De
injectievloeistof wordt afgeleverd in single dose ampullen, zonder
conserveermiddel.
Een eventueel restant dient te worden weggegooid.
Minrin injectievloeistof kan intraveneus of
intramusculair worden toegediend. Bij volwassenen is in het
merendeel der gevallen 1-4 µg éénmaal daags voldoende. Bij kinderen
en zuigelingen kan een dosering van 400 nanogram (0,1 ml) worden
toegediend.
Doseringen van minder dan 4 µg moeten met behulp
van een insulinespuit als delen van milliliters worden opgezogen.
Verdunnen onder aseptische omstandigheden van
Minrin oplossing in steriele fysiologische zoutoplossing is
mogelijk. De verdunningen dienen echter binnen 12 uur gebruikt te
worden.
Bij post-operatieve poly-urie-polydipsie direct na
operatie moet Minrin onder geleide van urine-osmolaliteit worden
gedoseerd. De dosering is individueel in te stellen 1-4 µg
intraveneus of intramusculair bij volwassenen.
a.4 Oraal:
De dosering dient individueel te worden
vastgesteld. Een geschikte aanvangsdosering voor zowel kinderen als
volwassenen is drie maal daags een tablet Minrin 0,1 mg. Verhoging
of verlaging van de dosis of doseringsfrequentie kan noodzakelijk
zijn. De klinische ervaring leert dat de dagelijkse totale dosis kan
variëren tussen 0,2 en 1,2 mg. In het algemeen wordt een goede
controle over de poly-urie verkregen door een doseringsschema van
drie maal daags een tablet Minrin 0,1 mg of Minrin 0,2 mg.
Minrin tabletten zijn bestemd voor de gevallen
waarbij nasale toediening niet effectief of mogelijk is.
b. Diagnose van diabetes insipidus
Gebrek aan urineconcentreringsvermogen na
wateronthouding gevolgd door het vermogen dit wel te doen na het
toedienen van 2 µg Minrin intramusculair of 20 µg intranasaal
bevestigt de diagnose van craniale diabetes insipidus.
Indien geen concentratie van urine na
Minrin-toediening plaatsvindt, kan nefrotische diabetes insipidus
tot de mogelijke diagnoses behoren.
c. Renale functie-test
Bij volwassenen en kinderen ouder dan 1 jaar met
normale nierfunctie kunnen zoutconcentraties van ca 700 mOsm/kg in
de urine bereikt worden binnen 5 uur na toediening van Minrin.
Bij zuigelingen zijn de bereikte zoutconcentraties
ca. 500 mOsm/kg urine.
Voor het bereiken van bovengenoemde
zoutconcentraties worden de volgende doseringen van Minrin
voorgesteld.
- Volwassenen en kinderen ouder dan 15 jaar: 40 µg
intranasaal of 2-4 µg intramusculair.
- Kinderen jonger dan 15 jaar: 20 µg intranasaal
of 1-2 µg intramusculair.
- Zuigelingen: 10 µg intranasaal. Tevens wordt de
normale vochtinname gedurende 2 maaltijden na toediening van Minrin
met 50% verminderd, teneinde vochtintoxicatie te voorkomen.
Voor toediening van Minrin dient de blaas te
worden geleegd.
d. Enuresis nocturna
d.1 Intranasaal, door middel van neusdruppels of
neusspray:
De dosis dient individueel te worden aangepast en
kan variëren tussen 10 en 40 µg. De begindosering voor kinderen en
volwassenen is 20 µg vóór het slapen. De dosis kan vervolgens worden
aangepast aan de respons.
d.2 Oraal:
De dosis dient individueel te worden aangepast en
kan variëren tussen 0,2 en 0,4 mg. De begindosering voor volwassenen
en kinderen is 0,2 mg vóór het slapen. Bij onvoldoende resultaat kan
de dosis zo nodig verhoogd worden tot 0,4 mg.
e. Lichte vormen van hemofilie A en de ziekte van
Von Willebrand type I
Een uur voor de operatieve ingreep dient Minrin in
een dosis van 0,3-0,4 µg/kg lichaamsgewicht intraveneus toegediend
te worden. De totale dosis oplossen in 50-100 ml steriele
fysiologische zoutoplossing voor injectie en over een periode van
20-30 minuten infuseren. Voor kinderen lichter dan 10 kg wordt
aanbevolen de totale dosis op te lossen in 10 ml.
De Minrin-toediening kan eventueel met intervallen
van 12-24 uur herhaald worden, indien de factor VIII activiteiten of
de bloedingstijd daar aanleiding toe geven.
Aangeraden wordt de patiënten ook met een
antifibrinolyticum te behandelen (b.v. tranexaamzuur, 1 x daags 1 g
oraal, tot 7 dagen na de operatie).
f. Behandeling van bloedingen bij patiënten met
een verlengde bloedingstijd ten gevolge van aandoeningen zoals
uraemie, aangeboren plaatjesfunctiedefecten of bij patiënten met een
geïsoleerde verlengde bloedingstijd.
Zie onder e.
Nabehandeling met een antifibrinolyticum is niet
nodig.
Contra-indicaties:
Bij het gebruik van Minrin bij de ziekte van Von
Willebrand is de diagnose ziekte van Von Willebrand type IIb een
contra-indicatie.
Bij gedecompenseerde cardiale insufficiëntie dient
Minrin niet gebruikt te worden. Zie rubriek "Speciale waarschuwingen
en voorzorgen bij gebruik".
Waarschuwingen:
Met name bij hogere doses, zoals die gebruikt worden
ter verhoging van factor VIII spiegels, of bij de behandeling van
bloedingen, kan Minrin vasodilatatie veroorzaken. Bij deze
doseringen is ook arteriële thrombose in het vaatsysteem van hart en
hersenen beschreven, al is een verband met de behandeling niet
bewezen. Minrin dient daarom bij patiënten met hart- en
vaataandoeningen en bij oudere patiënten met voorzichtigheid te
worden toegepast. Dit geldt met name voor patiënten met angina
pectoris en acuut myocardinfarct.
Bij chronische nierziekten is het antidiuretisch
effect van Minrin minder dan gewoonlijk.
Over het algemeen wordt bij adequate behandeling
met Minrin het dorstgevoel automatisch geremd. Er bestaat echter een
potentieel gevaar voor waterintoxicatie indien tijdens de Minrin
behandeling te veel wordt gedronken. Het wordt daarom aanbevolen
patiënten, in het bijzonder oudere patiënten en ouders van jonge
kinderen, op dit gevaar te wijzen.
In geval van bestaande gedecompenseerde cardiale
insufficiëntie dient men eerst deze situatie adequaat te behandelen
alvorens met Minrin therapie wordt begonnen.
Bij patiënten met een verstoorde water en/of
electrolyt balans en bij patiënten met een risico op verhoogde
intracraniële druk dient men eveneens extra voorzichtig te zijn met
vochtinname. Vochtretentie kan eenvoudig worden gecontroleerd door
het wegen van de patiënt of door bepalen van plasma-natrium of -osmolaliteit.
Minrin dient met voorzichtigheid en onder controle
van de plasma-osmolaliteit te worden toegepast bij patiënten
lijdende aan cystische fibrose.
De renale concentreringstest bij zuigelingen dient
uitsluitend op strikte indicatie en onder klinische omstandigheden
te worden uitgevoerd gezien het gevaar van waterintoxicatie in deze
groep.
Bij de behandeling van enuresis nocturna dient
's avonds vanaf één uur vóór tot acht uur ná toediening van Minrin
de vochtinname beperkt te worden. Daarom wordt aanbevolen om tijdens
deze periode uitsluitend te drinken op geleide van het dorstgevoel.
Na elke drie maanden therapie dient nagegaan te worden of de
noodzaak om de behandeling te continueren nog bestaat. Dit kan
geschieden door tenminste één medicatievrije week in te lassen.
Minrin mag voor deze indicatie niet aan kinderen jonger dan 6 jaar
gegeven worden.
Bij gelijktijdig gebruik van middelen die
vasopressine (ADH) kunnen doen vrijzetten, zoals het tricyclische
antidepressivum imipramine, is het risico op waterintoxicatie
vergroot.
Wanneer polyurie of enuresis nocturna veroorzaakt
wordt, respectievelijk gepaard gaan met psychogene en/of habituele
polydipsie, is Minrin niet de aangewezen therapie.
Het effect van Minrin op bloedstolling kan
individueel sterk verschillen. Bij hemofilie A patiënten, patiënten
met de ziekte van Von Willebrand, patiënten met uraemie,
plaatjesdefecten of een geïsoleerde verlengde bloedingstijd wordt
derhalve aangeraden enige dagen voor de chirurgische ingreep een
proefdosis te geven en het effect op factor VIII en/of bloedingstijd
na te gaan.
Bij herhaalde toediening binnen enige dagen
(patiënt afhankelijk) kan, tengevolge van een uitputting van de
factor VIII-depots, een afname van het effect worden verwacht.
Verhoging van de dosis geeft dan geen verbetering van de werking
(tachyfylaxie). Bij langer gebruik is het zinvol de plasma-natrium
of -osmolaliteit te controleren. Er is geen speciaal onderzoek
verricht met Minrin bij kinderen met lichte vormen van hemofilie A
of de ziekte van Von Willebrand type I. Voorzover te beoordelen uit
klinische gegevens kan Minrin bij kinderen wel worden toegepast,
maar voorzichtigheid is gewenst. |