Allergie is het gevolg van een reactie van het immuunsysteem. Dit systeem reageert op één of meerdere stoffen, allergenen genaamd. Voorbeelden van deze stoffen zijn grassen, stuifmeelkorrels, huidschilfers van dieren/ mensen, uitwerpselen van huisstofmijt, schimmelsporen of voedselbestanddelen. Het lichaam reageert met het aanmaken van afweerstoffen. Deze reactie veroorzaakt klachten zoals een rode (schilferige) huid, jeuk .

 

We onderscheiden 4 types allergische reacties:
  • Type I: IgE-allergie
  • Type II: IgG-antistofgemedieerde allergische reactie
  • Type III: allergische reactie die zich richt naar oppervlakte antigenen op weefsels
  • Type IV: celgemedieerde allergische reactie
Type I: IgE-gemedieerde reactie: Hierbij spelen de mestcellen (zie ook: witte bloedcellen) een rol. Deze bevatten onder andere histamineblaasjes. Een tweede hoofdrolspeler is het immunoglobuline E, een antistof dat normaal een functie heeft bij parasitaire infecties. Wanneer een allergeen (zoals latex) zich 2 maal bindt aan een IgE op de celmembraan van een mestcel, zal deze mestcel zijn inhoud uitstorten en deze vasoactieve aminen (onder andere histamine, serotonine en prostaglandinen) zullen een aantal veranderingen veroorzaken in het lichaam.
  • vaatverwijding (vasodilatatie van de bloedvaten in de huid)
  • vernauwing van de bronchiën van de longen
  • afname van de hartactiviteit

Dit geeft tot gevolg:

  •  Roodheid van de oorschelpen
  •  Soms zijn de lippen van de hond ook ontstoken
  •  rode ogen: conjunctivitis
  •  in ernstige gevallen bloeddrukdaling en shock
  •  Huid is vaak rood, vaak waarneembaar bij het hoofd, buik, oksels, liezen en poten. Meestal zijn ook de oren regelmatig ontstoken.

 

De therapie bij een hevige acute allergische reactie (anafylactische reactie) bestaat uit het toedienen van adrenaline door middel van een adrenaline. Hierdoor gaan de bronchiën zich weer verwijden, de bloedvaten in de huid vernauwen (vasoconstrictie) en wordt de activiteit van het hart gestimuleerd. Andere geneesmiddelen zoals calcium blijken minder of niet effectief. Corticosteroïden hebben een snelle werking.

Een verschil tussen een anafylactische reactie en een anafylactoide reactie is dat men in het eerste geval gesensibiliseerd moet zijn voor het antigeen, men moet m.a.w. antilichamen (IgE) aanmaken vooraleer de reactie kan plaats hebben. Men zal dus nooit bij het allereerste contact met een allergeen (bijvoorbeeld latex) een reactie vertonen. Bij anafylactoide reacties is deze sensibilisatie niet nodig: de allergenen hebben zelf een vasoactieve werking, wat histamine simuleert, zoals bijvoorbeeld bijengif bij een bijensteek.

 

Type III: Deze vorm van allergie, ook cytotoxische reactie genoemd, ontstaat wanneer antilichamen zich gaan richten naar het oppervlak van cellen en weefsels, op de aldaar aanwezige antigenen. Zo start een reeks reacties die uiteindelijk de afbraak van cellen of weefsel veroorzaakt.

Deze reactie betreft ook vaak een allergische reactie op een geneesmiddel. Het allergeen bindt aan een lichaamscel en verandert de eiwitsamenstelling van het membraan. Hierdoor wordt de lichaamscel als lichaamsvreemd herkend en wordt deze aangevallen door het eigen immuunsysteem. Het betreft hierbij een direct cytotoxische reactie door IgG of IgM (antilichamen). Schade wordt veroorzaakt door neutrofiele granulocyten en natural-killer cellen. De neutrofiele granulocyten laten proteolytische enzymen vrij die een ontstekingsreactie veroorzaken. Natural-killer-cellen laten granules vrij die ervoor zorgen dat de cel lyseert (stukgaat).

 

Type III: Deze vorm van allergie ontstaat wanneer antigeen-antistofcomplexen neerslaan en onder andere neutrofielen aantrekken en het complementsysteem activeren en zo weefselschade veroorzaken. Er zijn twee vormen van een Type III-reactie. Bij de eerste vorm worden antigeen-antistofcomplexen gevormd in de bloedbaan, waarna ze neerslaan in het weefsel. Meestal slaan deze complexen neer in de gewrichten en nieren. De andere vorm is de Arthus reactie. Hierbij worden de antigeen-antistofcomplexen in het weefsel gevormd. Een bekend voorbeeld van een Type III-reactie is Systemische Lupus Erythematodes.

 

Type IV: Deze allergie ontstaat door activatie van T-helper/inducer cellen(T-lymfocyten), die via de productie van diverse cytokinen het betreffende antigeen elimineert, maar tevens weefselschade veroorzaakt.

Deze gemedieerde immuunreactie is voornamelijk gericht tegen lichaamsvreemde cellen, zoals cellen die door een virus zijn geïnfecteerd of cellen van een transplantaat. Bij deze vorm spelen zowel de T-helpercel (Th-cel) als de cytotoxische T-cel (Tc-cel) een rol. Afhankelijk van de route kunnen twee reacties worden onderscheiden.

 

T-celcytotoxie (bij bijvoorbeeld bloed transfusie) 
Een binding van CD4+-T-helper/inducercellen aan het antigeen (samen met het HLA-klasse-II-molecuul), zal via de productie van IL-1 en IL-2 leiden tot het ontstaan van CD8+-Tc-cellen die de doelwitcellen een extracellulair mechanisme kunnen doden. Deze reactie treed het meest op bij virus geïnfecteerde cellen. Deze behoort niet tot de allergische reacties. Maar het tweede mechanisme hoort wel tot de allergische reacties:
Vertraagd-type-overgevoeligheid
Deze reactie wordt gemedieerd door lymfocyten en macrofagen. Wanneer een helpercel bindt aan een antigeen zal deze lymfocyt worden gestimuleerd tot het uitscheiden van chemokinen en cytokinen. Dit gebeurt waarschijnlijk door een aparte populatie van T-helpercellen. De chemokinen kunnen lymfocyten, monocyten en andere ontstekingscellen aantrekken en activeren. De belangrijkste ontstekingscel is de geactiveerde macrofaag welke op zijn plek wordt gehouden door macrofagen-migratie-inhibitiefactor (MIF). Deze macrofaag kan met mediatoren weefselschade veroorzaken en gefagocyteerd materiaal verteren. De doelwitcel wordt gedood, maar gaat gepaard met weefselbeschadiging en een ontstekingsreactie. De meest voorkomende type-IV-vertraagd-overgevoeligheidsreactie is de huidreactie die dan gepaard gaat met een "eczeem", rode en geïriteerde huid.

 

Allergische reacties ontstaan vaak door stoffen die worden ingeademd, opgegeten of die met de huid in contact komen.

Voedsel
Bij voedselallergie gaat het meestal om type I, bijvoorbeeld meteen jeukbulten (urticaria) en rode vlekjes of een tragere reactie. Ook de reacties op geneesmiddelen vallen hieronder. Andere mechanismen zijn mogelijk.
Bij voedselallergie van het type IV, kan het  gaan om allergische reacties op voedsel kleurstoffen, eiwitten, vetten etc.
Contact
Uiten zich vaak als vormen van eczeem. Veel voorkomend is allergie voor een aantal metalen, vooral nikkel en chroom (voer/ en drinkbakken)
Overig
Behalve door de mond kunnen allergenen ook op andere wijzen (vlooienbeten, mijten) in het lichaam terecht komen. De reactiemechanismen blijven dezelfde.

Diagnose: Doorgaans zal iemand contact met zijn of haar dierenarts opnemen bij eerder genoemde klachten. De dierenarts kan hierop beslissen om een bloedtest af te nemen. Afgaande op de resultaten van de bloedtest kan de dierenarts de eigenaar  advies geven, medicatie/ dieetvoeding (bijvooorbeeld skin Support Royal Canin) voorschrijven of doorverwijzen naar een specialist (Faculteit Diergeneeskunde Utrecht)

Bloedanalyse
Bij het dier wordt bloed afgenomen wat wordt onderzocht op de aanwezigheid van allergische antistoffen (IgE) tegen bepaalde allergenen. (Zie onderstaand schema/ overzicht hond & kat)

 

Intracutane huidtest
Door middel van injecties wordt allergeen houdende vloeistof in (meestal) de flank geïnjecteerd. Na een 15 tot 30 minuten kan een reactie worden afgelezen.

 

Eliminatiedieet
In geval van een voedselallergie horen de klachten te verdwijnen tijdens een eliminatiedieet. Als de klachten inderdaad verdwijnen, kunnen de stoffen waarvoor een allergie bestaat, geïdentificeerd worden door deze stapsgewijs weer te introduceren in de voeding.

Behandeling

  • Type-1 allergie (zoals bijvoorbeeld huisstofmijtallergie, dierenallergie):
    • vermijding van het desbetreffende allergeen
    • medicatie
      • Een behandeling kan bestaan uit symptoombestrijding met bijvoorbeeld antihistaminicum, lokale ontstekingsremmende corticosteroïden (neussprays) of mestceldegranulatieremmers. Behandeling met antihistaminicum is de meest gebruikte methode aangezien dit doorgaans afdoende werkt.
    • desensibilisatie
      • Dit is een behandeling welke de oorzaak van de allergie aanpakt door het dier immuun te maken voor de allergenen. Deze behandeling wordt tegenwoordig steeds vaker toegepast voor dieren met diverse allergieën en bijbehorende klachten.
  • Type-4 allergie (zoals allergisch contacteczeem):
    • vermijding van het desbetreffende allergeen
    • medicatie
      • Crèmes of zalven met corticosteroiden genezen de ontstoken huid sneller.

 

 

Testschema hond:
Boomallergenen:
Alnus glutinosa (Els)
Betula pendula (Berk)
Corylus avellana (Hazelaar)

Grasallergenen:
Agropyron repens (Kweekgras)
Alopecurus pratensis (Grote Vossenstaart)
Anthoxanthum odoratum (Reukgras)
Arrhenatherum elatius (Glanshaver)
Bromus hordeaceus (Zachte Dravink)
Cynodon dactylon (Handjesgras)
Dactylis glomerata (Kropaar)
Festuca elatior (Weidezwenkgras)
Hierochloe odorata (Veenreukgras)
Lolium multiflorum (Graaigras)
Phleum pratense (Timoteegras)
Secale cereale (Roggen)
Huisstofmijten:
Dermatophagoides farinae
Dermatophagoides pteronyssinus


Kattenvlooien


Kruidenallergenen:
Artemisia vulgaris (Bijvoet)
Plantago lanceolata (Weegbree
)

Schimmelallergenen:
Alternaria alternata
Aspergillus fumigatus
Cladosporium herbarum
Penicillium notatum


Voedselmijten:
Acarus siro
Tyrophagus
Lepidoglyphus

Testschema kat

Voortest:
Mijten-Mix
Schimmelallergenen-Mix
Pollen-Mix
Vlooienspeeksel-Mix

Boomallergenen*:
Betula pendula (Berk)
Salix caprea (Wilg)

Grasallergenen*:

Dactylis glomerata (Kropaar)
Festuca elatior (Weidezwenkgras)
Lolium multiflorum (Raaigras)
Phleum pratense (Timoteegras)

Poa pratensis (Weidebeemdgras)
Secale cereale (Roggen)

 

Huisstofmijten:
Dermatophagoides farinae
Dermatophagoides pteronyssinus

Kruidenallergenen:

Artemisia vulgaris (Bijvoet)
Chenopodium album (Witteganzenvoet)
Plantago lanceolata (Weegbree)
Rumex acetosa (Veldzuring)
Urtica dioica (Brandnetel)

Schimmelallergenen:

Alternaria
Aspergillus
Cladosporium
Penicillium


Vlooienspeeksel

Voedselmijten:

Acarus siro
Tyrophagus

 

 

U kunt een e-mailbericht met vragen of opmerkingen over deze website verzenden aan webmaster@dierenkliniek-willig.com.
Copyright © 2007 Dierenkliniek Willig
Laatst bijgewerkt: 10 september 2007